Markante evoluties

Uit het jaarverslag 2010 van de NMBS-groep. Merk op dat de cijfers hier en daar onverklaarbaar afwijken van de oorspronkelijke jaarverslagen, al blijft de globale trend dezelfde.

Waarlijk, een ‘markante evolutie’: ondanks alle inspanningen vanaf de jaren 90 om mensen uit hun wagen te halen, vervoert de trein vandaag nauwelijks evenveel reizigers als in de sixties. Nochtans staat het buiten kijf dat onze mobiliteit de afgelopen vijftig jaar geëxplodeerd is, al is het moeilijk om daar een betrouwbaar cijfer op te plakken. De statistieken van de FOD Economie gaan uit van een kleine verdrievoudiging tussen 1970 en 2010 van het jaarlijkse aantal reizigerskilometers die in België in personenwagens afgelegd worden.

Voor bussen is de stijging veel minder spectaculair, een goeie 40%. Voor de trein bedraagt de groei, op basis van de jaarverslagen van de NMBS, in dezelfde periode amper 20%. Als we de fiets (korte afstanden) en het vliegtuig (internationale trajecten) buiten beschouwing laten, zien we dus dat enkel Koning Auto zijn marktaandeel fors wist uit te breiden. De welvaartsrevolutie heeft een bij uitstek individualistische bijsmaak. En dat in tijden waarin de energie-efficiëntie van de trein toch een doorslaggevende factor zou moeten spelen, ook economisch. Mijn spoorhart bloedt.

Op kortere termijn kunnen we de cijfers gelukkig positiever interpreteren. Toen Paars I zich engageerde om met de NMBS op tien jaar tijd 50% meer reizigers te vervoeren, was ik eerder sceptisch maar kijk: tussen 2000 en 2010 stegen de reizigerskilometers per trein met 54%. (Een lesje in exponentiële groei: om op tien jaar tijd de helft te stijgen volstaat een jaarlijkse toename van iets meer dan 4%.) In dezelfde periode steeg het personenvervoer per auto met ‘slechts’ 8%, per bus met 30%. Het spoor is dus aan zijn broodnodige inhaalbeweging bezig. Ook opvallend: datzelfde aantal reizigers uit 1960 wordt vandaag met half zo veel personeelsleden vervoerd. Een productiviteitswinst die kan tellen.

Tot slot: als het vandaag slecht gaat met de stiptheid van de Belgische treinen zoekt men vaak een verklaring in die sterke reizigersgroei. Op basis van bovenstaande grafiek zou je dat als quatsch kunnen catalogeren. Hoewel andere factoren volgens mij inderdaad belangrijker zijn — niet in het minst het afbreken van het sterke samenhorigheidsgevoel tussen de cheminots en het installeren van een regelneverige ‘niet mijn verantwoordelijkheid’-cultuur — moet één belangrijke nuance aangebracht worden: in de jaren 60 was ons spoorwegnet ongeveer dubbel zo groot. Hoewel die vele extra kilometers spoor zich vooral in dunbevolkte gebieden bevonden (al is dat in Vlaanderen erg relatief), zorgde het wel voor een robuuster netwerk. Bovendien pendelden veel reizigers toen nog naar de mijnen in Limburg en Henegouwen — arm Vlaanderen, remember — terwijl vandaag alles rond Brussel geconcentreerd zit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *