Misschien wel het mooiste

Mogens Balle
Mogens Balle, 1958.

Toen ik vorig jaar het Cobra Museum in Amstelveen bezocht, werd ik aangezogen door een werk van de mij onbekende Deense schilder-schrijver Mogens Balle (1921 – 1988). Die houterige/hunkerige houding van twee neushoornachtige schimmen, in haastige lijnen op enkele vellen krantenpapier gekalkt, het maakte de reis naar de — om het in In Bruges-termen te zeggen — shithole Amstelveen op slag waard. In de vreselijke chaos die het internet is als je slechts over een naam en een jaartal beschikt, vond ik onlangs tot mijn grote vreugde een onverhoopte foto terug van het doek. (Advies aan beginnende kunstenaars: geef je werk een titel.)

In de tijdelijke expo werd aandacht besteed aan de gedichttekeningen van Lucebert (1924 – 1994). Net zoals in de permanente collectie zag ik veel ogenschijnlijke rommel (een etiket dat, zo getuigden talrijke krantenknipsels, ook kunstcritici uit de jaren 60 graag bezigden toen de eerste stemmen opgingen om Cobra een plek te geven in de vaderlandse musea), maar hier en daar ontdekte ik ook parels waar een mens even voor moet gaan zitten. Het titelwerk van die tentoonstelling, Luceberts wervende Open de kooien van de kunst, was er zo eentje: een weergaloos manifesto voor het (post)modernisme.

Achteraf overvalt mij vaak ook medelijden met de pleitbezorgers voor het afschaffen van elke vorm van cultuursubsidie. Hoe elitair het ook mag klinken: zij hebben wellicht nog nooit die overrompelende schoonheid ervaren, laat staan de onverklaarbare heilzame werking ervan. Zelfs bij de ‘kinderachtige’ Cobrabeweging.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *